Vrouwenkiesrecht in de Skandinavische landen

Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.

Vrouwenkiesrecht in de Skandinavische landen.

(Overgedrukt uit “Land en Volk” en bijgewerkt tot November 1911).

Vrouwenkiesrecht in de Scandinavische Landen.

I. Inleiding.

Langzamerhand zijn wij er aan gewend geraakt, dat de vrouwen aan het openbare leven deelnemen en in allerlei ambten en beroepen, die vroeger alleen door mannen weiden uitgeoefend, zich een eerlijke broodwinning en een eervolle positie hebben weten te verwerven. Dat een vrouw even goed als een man dokter, tandarts, leerares, advocaat, plantkundige, enz. kan zijn, niemand trekt het meer in twijfel; de feiten hebben reeds bewezen, dat zij in alle beroepen, die zij tot dusverre heeft weten te veroveren, eene eigen en misschien ook eigenaardige plaats inneemt, die vroeger onbezet was gebleven en van welk gemis de maatschappij toen de verkeerde gevolgen moet hebben ondervonden. Het succes, dat de meeste vrouwen in haar beroep hebben, is wel een bewijs, hoe noodig en nuttig zij zijn en de dezer dagen door mij gehoorde verzuchting van een tandarts, dat zijne vrouwelijke collega’s zich maar behoeven te vestigen om onmiddellijk een stroom patiënten te zien opkomen, terwijl de heeren-tandartsen soms jaren moeten wachten, eer zij eenige naam en patiënten hebben verworven, zegt, ons in dit opzicht genoeg. De vrees, die vroeger algemeen gekoesterd werd, dat vrouwen, door het uitoefenen van betrekkingen, die men, dom en ondoordacht, alleen voor mannen geschikt achtte, tot mannen zouden worden, is langzamerhand, nu men de feiten voor zich ziet, verdwenen.

’t Zou toch ook al te dwaas zijn, dat eene vrouw hare hoofdharen zou verliezen, of een snor en, baard zou krijgen, haar stembanden en bekken van vorm zouden veranderen, alleen omdat zij wat meer en ander werk doet dan “men” voor haar geschikt acht. Nu lacht ieder om zoo’n veronderstelling, die toch vroeger door zeer wetenschappelijke mannen als een gevolg van het booze drijven der vrouwen om universiteiten te willen bezoeken en daar zich te willen bekwamen voor een wetenschappelijk beroep, als mogelijk en waarschijnlijk werd voorgesteld. Thans maakt men alleen nog de tegenwerping “niet uiterlijk, maar innerlijk zal de vrouw van wezen veranderen als zij haar huis verlaat en aan het openbare leven deelneemt.”

Dit valt niet te loochenen, maar is het te betreuren? Zou het meisje van voorheen nog een passende kameraad voor den man van heden zijn? Het hedendaagsche meisje, dat geleerd heeft in eigen onderhoud te voorzien, dat vergaderingen bezoekt om haar kennis te verrijken, dat men kan vinden in onze openbare bibliotheken, op de banken van herhalingsscholen en andere inrichtingen van onderwijs, dat vaak met en naast den jongeling werkt en studeert, is niet meer gelijk aan het meisje van een halve eeuw geleden, dat met een handwerkje voor het venster zat te droomen, hoopvol wachtend op den man, die haar met zijn hart en hand een werkkring kwam aanbieden. Maar wie durft beweren, dat het hedendaagsche meisje minder aantrekkelijk is geworden voor den hedendaagschen man, kent den waren toestand niet. Want immers ook de mannen zijn veranderd en zij, die met hun tijd hebben medegeleefd, verwachten van hunne vrouwen iets anders dan onze grootvaders van onze grootmoeders. Dat de ouderwetsche vrouwen van het type van een halve eeuw geleden over ’t algemeen voor den man met den dag onaantrekkelijker worden, dat ondervindt de ouderwetsche vader met eenige huwbare dochters maar al te zeer. De zekerste weg om een man voor hen te vinden is, ze een vak te laten leeren en er nieuwerwetsche, in eigen onderhoud voorziende vrouwen van te maken.

Wij raken langzamerhand aan zulke nieuwe toestanden gewend. Wanneer zij verkeerd waren, zouden wij er spoedig de nadeelige gevolgen van ondervinden en dan zouden zij van zelf weder te niet gaan. Dat zij blijven bestaan en in omvang toenemen, is een bewijs, dat zij voor de maatschappij goed zijn en in den tijdgeest passen. Alle bezwaren, die zich vroeger bij het schrikbeeld; “een zelfstandige vrouw” aan ons opdrongen, blijken spookbeelden te zijn in het licht der feiten; zij vonden hun oorsprong in dom vooroordeel en behoudzucht.

In dat stadium verkeert nu nog bij velen het vrouwenkiesrecht. Men is zoo bang, dat vrouwen door het zwart maken van een stip op het stembriefje heelemaal van de wijs zullen raken en totaal van wezen zullen veranderen. Met hand en tand verzet men zich tegen de spoedige totstandkoming van eene hervorming, die toch komen moet, die niet is tegen te houden, omdat zij ligt in de lijn, waarin de maatschappij zich voortbeweegt, de steeds toenemende democratiseering van den staat. Met het tegen vrouwenkiesrecht aangevoerde onweerlegbare argument, “dat mannen mannen en vrouwen vrouwen zijn” hebben Lord Cromer en Austin Chamberlain zich doen kennen als Engelands grootste denkers van dezen tijd en heeft onze landgenoot en geestverwant, de heer Hans, getoond, in denkkracht voor deze groote geesten niet onder te doen. Dat de vrouwen het kiesrecht juist vragen, omdat zij vrouwen zijn en willen blijven en zich aanmatigen beter dan de mannen te weten, welke werkzaamheden voor haar aard en aanleg het best passen; dat zij, juist omdat zij vrouwen zijn en anders dan mannen, meenen te moeten medewerken in het bestier van de huishouding van den staat, wil die huishouding geschikt gemaakt worden voor een gezonde samenleving van mannen, vrouwen en kinderen, dat is een kleinigheid, die zulke groote geesten over het hoofd hebben gezien. Maar als men geen ander argument kan vinden, als alle bezwaren die tegen vrouwenkiesrecht zijn aangevoerd, zoodra zij kalm besproken worden, als sneeuw voor de zon verdwijnen, dan grijpt men naar een argument, dat in al zijn eenvoud aantoont, dat er tegen de invoering van vrouwenkiesrecht geen argumenten zijn aan te voeren.

Indien men zonder vrees voor tegenspraak gerust kan zeggen, dat de landen, waar de democratie het verst gevorderd is, vooraan staan in ontwikkeling en beschaving, dan nemen de Scandinavische volken het hoogste cultuurstandpunt in van de Europeesche Staten. In alle landen van Scandinavië bestaat naast een algemeen mannenkiesrecht vrouwenkiesrecht in een of anderen vorm. Als wij eens nagaan, hoe daar deze nieuwigheid werkt, wat de vrouwen met haar politieke rechten tot stand brengen en hoe zij die rechten gebruiken, dan kan dat mogelijk medewerken om de vreesachtigen bij ons wat kalmer te stemmen omtrent deze hervorming en hen misschien er nog toe brengen van tegenstanders voorstanders te worden.

II. Finland.

Om met Finland te beginnen; dat ongelukkige land met zijne sympathieke, vrijheidlievende bevolking, staat onder Rusland’s heerschappij.

Als dat volk vrij was, niet bij elken wiekslag door Rusland’s ijzeren arm belet werd te stijgen, zou het spoedig de grootste hoogte in volksontwikkeling bereiken.

Toen in 1905, na de vreedzaam volbrachte revolutie, Finland een deel van zijne onafhankelijkheid van Rusland teruggewonnen had, kwamen de hoofdpersonen van de verschillende politieke partijen bijeen om te beraadslagen over de wijze waarop de Volksvertegenwoordiging gekozen zou worden. Met meerderheid van stemmen werd besloten, dat er zou zijn een enkelvoudige, slechts uit één Kamer bestaande vertegenwoordiging, gekozen door alle personen boven de 21 jaren, zonder onderscheid van geslacht.

Na deze uitspraak zaten Finlands vrouwen niet stil. Om de tegenstemmers en wankelmoedigen nog te winnen, belegden zij in de hoofdstad van het Rijk vele openbare vergaderingen, waar vrouwen uit het geheele land als afgevaardigden tegenwoordig waren en waar de eisch der vrouwen besproken en in moties aan het eind der vergadering aangenomen werd. Deze motie luidde: dat kiesrecht en verkiesbaarheid aan alle vrouwen boven 21 jaren, gehuwd en ongehuwd, volgens het beginsel van algemeen, gelijk en rechtstreeks stemrecht worde toegekend.

In Finlands Grondwet, die eindelijk op 29 Mei 1906 door den Czaar van Rusland werd goedgekeurd, was ten slotte opgenomen: “dat kiesgerechtigd zijn alle mannen en vrouwen boven de 24 jaren; uitgesloten zijn alleen: soldaten; wegens zwakke geestvermogens onder voogdij staanden; zij die om andere reden dan armoede hunne belasting niet hebben betaald; zij die in de laatste drie jaren niet als Finsch burger staan ingeschreven; bewoners van werkhuizen en armhuizen; misdadigers; bankroetiers (voor een bepaalden tijd) en zij, die zich bij verkiezingen hebben schuldig gemaakt aan oneerlijke praktijken. Allen, die het recht van kiezen hebben, zijn ook verkiesbaar”. Verder werd er evenredige vertegenwoordiging ingevoerd.

Hoe de vrouwen hunne plotseling verkregen politieke rechten hebben opgevat, blijkt duidelijk uit het feit, dat zij reeds twee weken na die overwinning over het geheele Rijk cursussen georganiseerd hadden om de vrouwen met de nieuwe wet en de evenredige vertegenwoordiging op de hoogte te brengen en vooral ook om in de vrouwen het gevoel van de groote verantwoordelijkheid te wekken, die aan nieuwe rechten verbonden is.

Deze cursussen, waarvan er 130 in drie maanden tijds gehouden werden, maakte men zoo populair en aantrekkelijk mogelijk. De vrouwen van alle klassen in de maatschappij en van elke politieke richting kwamen daar bijeen. Meestal zalen vol. Dan werd eerst op eenige avonden het voornaamste uit de Grondwet uitgelegd en onderling besproken en het evenredige kiesrecht op een bord aanschouwelijk voorgesteld. Daarna kondigde de presidente aan, dat er den volgenden keer een denkbeeldige verkiezing zou plaats hebben. De leden van verschillende richtingen zonden te voren hunne denkbeeldige candidaten A. B. C. enz. in. Na de opening der vergadering stelde de presidente het eerst de partijagitatie en stemmenwerving aan de orde. Zij die candidaten hadden ingezonden kwamen dan een voor een op het podium om hunne candidaten aan te bevelen. Het publiek lachte, juichte de spreekster toe of gaf teekenen van afkeuring, net zooals het in werkelijkheid op zulke vergaderingen geschiedt. Dan werd een half uur gepauseerd om gelegenheid te geven tot stemmen werven en daarna had de verkiezing plaats. Elk bracht haar stembiljet ingevuld bij het bestuur in. Na de telling der stembriefjes werd weder aanschouwelijk voorgesteld, hoe bij evenredige vertegenwoordiging een meerderheid wordt verkregen.

Den geheelen winter 1906/07 werden verder overal vergaderingen belegd om de voornaamste punten van de verschillende partijprogramma’s te bespreken.

Hoe dichter de verkiezingsdag naderde, destemeer begonnen de verschillende vrouwen zich bij de bestaande politieke partijen in te deelen. De meeste dier partijen hadden naast hunne sprekers ook spreeksters aangesteld om door het geheele land leden te werven. Soms reisden spreker en spreekster samen en sprak de vrouw over het alkoholvraagstuk, kinderbescherming, openbare zedelijkheid, huwelijkswet enz., terwijl de man de andere punten van het partijprogram besprak. Zulke vergaderingen werden bijna steeds door een even groot aantal vrouwen als mannen bijgewoond en, zoo zegt de verslaggever: “men kon het den vrouwen van het gezicht aflezen, dat de gedachte, dat zij daar zaten, niet als bloote toeschouwers maar met evenveel recht als de mannen, haar met trots vervulde”.

Op 15 en 16 Maart 1907 hadden eindelijk voor het eerst de verkiezingen onder de nieuwe wet plaats. Overal hadden de afdeelingsbesturen van de verschillende partijen bekend gemaakt, dat er zich vrouwen bij de stembureaux beschikbaar hadden gesteld om op de babies te passen in geval moeders met het kleintje op den arm aan de stembus mochten komen. Ook waren er vrouwen, die tijdelijk de huismoeders willen vervangen, wanneer die om in huis zijnde zieken of om andere reden het huis niet onbeheerd konden laten.

Van den eigenlijken verkiezingsdag vermeldt de verslaggever: “Het was eigenlijk om te lachen voor allen, die zich herinnerden welke verschrikkelijke dingen er door de tegenstanders voorspeld waren geworden, zoo kalm en als een van zelf sprekende zaak als mannen en vrouwen te zamen naar de stembus gingen. Onder de wachtende scharen werden dikwijls de meest huiselijke zaken besproken. Ook hoorde men soms nog een bange echtgenoot zijne vrouw wijze lessen uitdeelen, hoe zij het biljet moest invullen en vooral geen naam er onder zetten enz. Ook zag ik een jongen man, van nog geen 24 jaar, zijn oude grootmoeder ondersteunen en naar het stembureau brengen. Huismoeders, dienstmeisjes, voorname dames en arbeidsters, allen stonden met de mannen-kiezers bedaard te wachten, tot hun beurt van stemmen gekomen was. Van beleedigende uitingen tegenover de vrouwen was nergens sprake”.

Bij den uitslag der verkiezing bleek, dat in alle steden de vrouwen in grooter getale naar de stembus waren gegaan dan de mannen, doch op het platteland viel het omgekeerde te constateeren, zoodat over het geheele land door mannen en vrouwen % gewijze ongeveer gelijk gestemd is geworden. Verder waren er op de 200 afgevaardigden 19 vrouwen gekozen, over de verschillende politieke partijen verdeeld.

Zonder eenige bijzondere aandacht te trekken namen deze eerste Europeesche vrouwen parlementsleden in Mei 1907 hare zetels in het Finsche Parlement in. In alle afdeelingen tot onderzoek van ingekomen voorstellen werden onmiddellijk een of meer vrouwen benoemd, zoo ook in het “Talmans Konferens” (comité bestaande uit voorzitters van verschillende afdeelingscomité’s). In deze laatste nam Lucina Hagman zitting, de vrouw, die in Finland zooveel voor co-educatie heeft gedaan en aan het hoofd staat van een door haar zelf gesticht gymnasium voor jongens en meisjes.

In samenwerking met de politieke partijen waartoe zij behooren, werden door die vrouwen wetten voorgesteld, maar ook door vele van haar werden nog afzonderlijke voorstellen ingediend.

Op 31 Mei schrijft Alexandra Gripenberg, een der vrouwelijke parlementsleden:

“Ik schrijf u gedurende een pauze in de zitting. Wij hebben juist gedebatteerd over de zegelbelasting en zijn nu begonnen aan de jachtwet. Gisteren hebben wij met ons zessen vrouwen ons eerste wetsvoorstel ingediend omtrent huwelijksgoederenrecht. Vandaag heb ik een voorstel mede onderteekend, door andere vrouwen ingediend omtrent het recht der moeders op hare kinderen en dan nog een om den verantwoordelijkheidsleeftijd van meisjes te verhoogen. Ik vrees, dat wij voorloopig in de Afdeelingen nog weinig kunnen doen, wij moeten eerst grondig kennis opdoen van de aldaar in behandeling komende onderwerpen; maar al leerende zullen wij er ons vooreerst toe bepalen, dat ook daar voor de belangen der vrouwen en kinderen gewaakt wordt. Ik zit in het Comité voor Wetten en de andere vrouw hierin is een sociaal-democrate. In dit comité komen voorstellen in, die dikwijls betrekking hebben op wijzigingen in wetten betreffende vrouwen. Wij tweeën kunnen dus in ons comité zeer nuttig zijn”.

Over het geheel waren er in den eersten zittingsduur 26 voorstellen afzonderlijk door vrouwen ingediend, op één na allen betrekking hebbende op vrouwen en kinderen of van ethische strekking. Opmerkelijk was, dat de vrouwen in zedelijkheidskwesties meestal samen gingen, maar bij andere belangrijke vraagstukken stemden met de mannen van de partij, waartoe zij behoorden. Nog slechts drie van de door vrouwen ingediende en aangenomen voorstellen waren behandeld, toen de Czaar in Maart 1908 het Finsche Parlement ontbond en de nieuwe verkiezingen tot 1 Juli 1908 uitstelde.

De drie aangenomen voorstellen hadden ten doel, het eerste om van regeeringswege te zorgen, dat overal op het platteland geëxamineerde vroedvrouwen werden aangesteld, het tweede om kook- en huishoudscholen in elk dorp te vestigen, zoodat de meisjes uit de volksklasse goede huisvrouwen konden worden, en het derde om den verantwoordelijkheidsleeftijd van meisjes van 15 op 17 jaren te brengen.

Het ingediende voorstel om de voogdij van den man over zijne vrouw op te heffen, en dat om de gehuwde vrouw het recht van beheer over eigen vermogen te laten, waren in behandeling, toen van Rusland plotseling de boodschap kwam, dat de Kamer ontbonden en alle parlementaire arbeid gestaakt moest worden.

1 Juli 1908 kozen de Finnen een nieuw parlement. De deelname der vrouwen was nog grooter dan den eersten keer en 25 van haar werden als afgevaardigden verkozen. Slechts kort was dit parlement bijeen. Twee belangrijke punten waren afgedaan. Het kiesrecht voor de gemeenteraden was geregeld en bepaald, dat elk burger boven de 21 jaren kiesrecht zou hebben en verkiesbaar zijn. De Czaar verleende echter geen sanctie aan dit besluit. Het tweede punt, toekennen van stukken grond in erfpacht voor 50 jaren, werd wel goedgekeurd.

Toen de voorzitter der Kamer op 16 Febr. 1909 de zitting opende en met eenige moedige woorden uitdrukking gaf aan het gevoel dat de Finsche bevolking bezielde over den druk en verderfelijken invloed van Rusland’s Ministerraad, had dit tengevolge, dat de Czaar opnieuw het parlement ontbond en de Russische Ministerraad een wet uitvaardigde, waarbij “alle aangenomen voorstellen door een Volksvertegenwoordiging, die binnentijds ontbonden wordt, van geene waarde worden verklaard”.

Sedert de invoering van de Finsche grondwet, hebben er nu vijf verkiezingen plaats gehad. De aantallen gekozen vrouwen waren resp. 19, 25, 21, 17 en 14. Deze vermindering is zuiver toevallig, zegt het vr. parlementslid Tekla Hultin, en enkel aan persoonlijke redenen toe te schrijven.

Pages: 1 | 2 | 3 | 4 ... | Single Page