De economische toestand der vrouw / Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie

Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

De economische toestand der vrouw.

De economische toestand der vrouw.

Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie

Haarlem
H. D. Tjeenk Willink & Zoon
1900

Voorbericht van de schrijfster.

Dit boek is geschreven om een eenvoudige en natuurlijke verklaring te geven van een der meest bekende en meest verwarde vraagstukken van het menschelijk leven,—een vraagstuk dat zich bijna aan elkeen ter praktische oplossing opdringt en dat de ernstige aandacht vraagt van den moralist, den medicus, en den socioloog—

Om aan te toonen hoe eenige van de ergste kwalen waaronder wij gebukt gaan, kwalen die lang verondersteld werden onafscheidelijk van onzen aard te wezen en onuitroeibaar te zijn, slechts het gevolg zijn van zekere willekeurige toestanden, toestanden van eigen maaksel, en hoe wij, door deze toestanden te veranderen, de daaruit voortspruitende kwalen kunnen verwijderen—

Om aan te duiden hoever wij reeds het pad ter verbetering betreden hebben en hoe onweerstaanbaar de sociale krachten ons dwingen verder te gaan, zelfs zonder ons weten en tegen ons krachtig verzet in,—een voortgaan dat door onze erkenning en met onze hulp zeer versneld kan worden—

Om in het bijzonder de denkende vrouw van heden te bereiken en haar een nieuw besef te geven, niet alleen van haar maatschappelijke plichten als individu, maar van haar onmetelijk belang voor het ras als maakster van menschen.

Tevens wordt de hoop gekoesterd dat de ontvouwde theorie suggestief genoeg zal werken, om aanleiding te geven tot zulke verdere studie en bespreking, waardoor haar dwaling aangetoond of haar waarheid bevestigd zal worden.

Charlotte Perkins Stetson.

Met liefde en toewijding volbracht ik de vertaling van dit belangrijk werk, met zijn diepgaande studie van de menschelijke samenleving en zijne breede grondslagen voor de hervormingen die onze maatschappij heeft te ondergaan.

Niets schijnt mij noodiger bij de duidelijk waarneembare kentering in onze begrippen omtrent de sexueele verhoudingen, dan het kennis nemen van beschouwingen daarover, die getuigen van zelfstandig onderzoek, vrij van alle doctrinairisme, en van volkomen onafhankelijkheid bij de beoordeeling der verkregen resultaten.

Het is waar dat de schrijfster bij haar arbeid het oog gevestigd had op toestanden in Amerika, maar met hier en daar slechts geringe wijzigingen zijn hare beschouwingen ook op de meeste Europeesche landen toepasselijk. De bijzondere waardeering die het werk in Amerika en vooral in Engeland ten deel viel zal het ook hier te lande ongetwijfeld ondervinden. Vooral nu hier in de laatste jaren zooveel geschreven en geredetwist is over het geslachtsleven van de vrouw in verband met haar maatschappelijk optreden, zal dit werk van Charlotte Perkins Stetson zeer velen tot nadenken aansporen en hun het antwoord geven op verschillende toen gerezen vragen.

De schrijfster, een zeer gunstig bekende dichteres en begaafd spreekster, werd in 1860 in New-England geboren. Zij is, zoowel van vaders’ als van moeders’ zijde, aan vele beroemde en om hun vooruitstrevende denkbeelden en handelingen bekende mannen en vrouwen verwant, waarvan voorzeker de schrijfster van “de negerhut van Oom Tom”, Harriet Beecher Stowe, hier te lande de meest bekende is.

In 1888 werd zij in Californië, waar zij toen woonde, voor haar schitterend artikel over de arbeidersbeweging met goud bekroond en in 1896 bood de Fabian Society te Londen haar, voor het vele goede zaad dat zij door haar verschillende werken uitgestrooid had, het eerelidmaatschap aan.

Deze geestelijk zoo rijk begaafde vrouw bezit een hoogst aangenaam uiterlijk en doet hare gesprekken van humor tintelen. Op het internationale vrouwencongres te Londen, in den zomer van 1899, waar ik het voorrecht had haar persoonlijk te leeren kennen, fonkelde zij te midden van de élite der vrouwenbeweging als een ster van de eerste grootte.

Aletta H. Jacobs.

Amsterdam, Juni 1900.

Inleiding.

In de donkere en vroege tijden, nog vóórdat het licht in den voor-historischen nacht begon te schijnen, waren in de oorspronkelijke wouden de tweevoudige menschen elkaars gelijke; zij waren innige, hartelijke vrienden, die in onberekend genot wild en vrij tezamen leefden.


Vóórdat het verstand ontwaakte,—en bewustzijn kwam in die tijden langzaam,—vóórdat het verstand ontwaakte in den man, maar ook in de vrouw; nog vóór hij den Boom der Kennis vond, dien verschrikkelijken doch heiligen boom, reeds vóór hij wist was hij gevallen en begreep toen dat hij wist.


Toen sprak hij tot Smart: “Thans ben ik wijs en ken U! maar zoolang macht en wijsheid duren, wil ik niet meer lijden!” En tot Genot sprak hij: “Ik ben sterk en ik zal U bewijzen dat mijn mannenwil U in bezit kan nemen,—o, en U vast houden ook!”


Voedsel at hij voor zijn genoegen en wijn dronk hij voor zijn pleizier. En de vrouw? O, de vrouw, het toppunt van genot! Zij was nu de zijne,—ja, hij wist het! En sterk als een krankzinnige werd hij in de vroege schemering na den voor-historischen nacht.


Hem toebehooren,—de zijne voor eeuwig! welk een heerlijke, teedere overwinning! O, wat zou hij haar liefhebben! En zij zou slechts hem beminnen! Hij wilde werken en strijden voor haar, hij wilde haar beschutten en beschermen.—En zij zou hem nooit meer verlaten, vóórdat haar oogen door den dood gebroken werden.


Nauw, nauw sloot hij haar op, opdat zij hem nooit kon verlaten; zwak hield hij haar, opdat zij de kracht zou missen hem te ontvluchten. En de verdoovende vlam der passie hield hij steeds vlammend, door al de kunstgrepen en krachten die aarde en hemel en zee hem boden.


Doch o, die lange tocht! Die langzame en verschrikkelijke jaren die zij te zamen, blind en kreupel en ten laatste geheel verdwaald, doorworsteld hebben! Welk een machtig boekdeel, met millioenen schandelijke bladen, van de vrijheid der wouden tot in de gevangenissen van heden!


Voedsel at hij voor zijn genoegen en het bracht hem ziekte aan! Wijn dronk hij voor zijn pleizier en het baande hem den weg tot misdaad! En de vrouw? Hij wilde haar vasthouden,—hij wilde haar hebben als het hem behaagde,—En hij heeft haar nooit terug gezien, sedert den voor-historischen tijd!


Verdwenen was de vriendin en makker uit den vroegeren levenstijd; Zij die koesterde en troostte, zij die hulp en redding bracht. Hij zoekt haar nog steeds met onstilbaren honger vergeefs; Alleen staat hij thans, onder zijn tyrannen, alleen boven zijn slaven.


Zwoeger, gebogen en vermoeid door den zwaren last dien gij u zelf hebt opgelegd! Gij, die treurig en eenzaam zijt, ofschoon slechts eenzaam in schijn! Gij, die Genot hebt trachten te overwinnen om het steeds voor het grijpen te hebben, Gij hebt ondervonden dat Genot slechts was een andere naam voor Smart.


Natuur heeft uwe dwaling hersteld, uwe dwaasheid vergeven! God heeft niet vergeten, indien de menschen het ook nog niet inzien. De geest der vrouw verheft zich, in weerwil van uw schennis. Bevrijd haar nu en vertrouw haar! Zij wil u nog liefhebben!

Pages: 1 | 2 | Single Page