De vrouw en de vredesbeweging in verband met het vrouwenkiesrecht

Produced by Anna Tuinman, André Engels, Eline Visser and
the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/

Prijs f 0.10

DE VROUW EN DE VREDESBEWEGING IN VERBAND MET HET VROUWENKIESRECHT

door Dr. ALETTA JACOBS

Overdruk uit het Verslag van het Nationaal Congres van het Nederlandsch Comité van Vrouwen voor Duurzamen Vrede. (Den Haag 28-29 April 1917)

6e uitgave van het Nederl. Comité van Vrouwen voor Duurzamen Vrede September 1917.

Dagelijksch Bestuur van het Internationaal Comité van Vrouwen voor Duurzamen Vrede:
   
Jane Addams,
Chairman.
Dr. Aletta Jacobs,
First Vice Chairman.
Chrystal Macmillian,
Secretary.
Rosa Manus,
Assistant Secretary and treasurer pro tem.
Centraal Bureau,
Heerengracht 627, Amsterdam.
Orgaan “Internationaal”.

Dagelijksch Bestuur van het Nederlandsch Comité van Vrouwen voor Duurzamen Vrede:
   
C. Ramondt-Hirschmann,
Presidente.
Dr. Aletta Jacobs,
Vice-presidente.
H. van Biema-Hijmans,
2e Vice-presidente.
Annie L. Oppenheim,
Secretaresse.
Parkstraat 2, Den Haag.
L. Eschauzier-Pabst,
Penningmeesteresse.
Rosa Manus.
W. van Itallie-van Embden.

De Vrouw en de Vredesbeweging in verband met het Vrouwenkiesrecht,

DOOR

Mw. Dr. ALETTA JACOBS.

(Overdruk uit het Congresverslag).

Ik kan niet verhelen dat het geen gemakkelijke taak is, die ik heb op mij genomen, om het nauw verband aan te toonen, dat bijna alle strijdsters voor de politieke ontvoogding der vrouw voelen dat bestaat tusschen “duurzame vrede en vrouwenkiesrecht”.

Toen twee jaren geleden vrouwen uit zoovele verschillende landen hier samen kwamen, met het doel een Internationaal protest te doen hooren tegen dezen, elke beschrijving te boven gaanden gruwelijken oorlog, en – om als vrouwen middelen te beramen eene herhaling ervan te voorkomen, – toen was het opmerkelijk hoe al die vrouwen éénparig als krachtigste en hechtste wapen in den strijd tegen den oorlog, den directen invloed der vrouwen op het staatsbestuur noemden.

Daaraan is het dan ook te danken dat de eisch: “invoering van vrouwenkiesrecht in alle beschaafde landen”, naast die van “oplossing van internationale geschillen langs vreedzamen weg”, de basis vormden van onze verdere besluiten op dat Congres.

Meer nog trof mij, bij ons, na afloop van dat Congres gebracht bezoek aan regeeringspersonen van vele der oorlogvoerende en neutrale landen, hoe ook vele van die regeeringspersonen diezelfde gedachte uitspraken, dat ook zij in de toekomst der volken, met betrekking tot oorlog en vrede, alléén heil verwachten van den zich uitbreidenden invloed der vrouw op de regeeringsdaden.

Waarop berusten die verwachtingen, nu nog slechts enkele daden schijn van bewijzen leveren?

Ik zal trachten hierop een antwoord te geven.

 

Die verwachtingen moeten haar oorsprong vinden in het verschil van aard, van neigingen, van man en vrouw. Dit verschil openbaart zich vooral in vraagstukken als die van Oorlog en Vrede.

Tengevolge van het verschil in functie bij het voortplantingsproces zijn bij vrouw en man instinctmatig andere neigingen ontstaan, neigingen, die zich bij den man vooral openbaren in strijdlust – lust tot veroveren; – bij de vrouw in zucht tot opbouwen, tot conserveeren, tot behouden wat bestaat.

Wel is waar heeft in den loop der tijden, door den beschavingsinvloed, dit verschil in instinctieve neigingen aan omvang en kracht verloren, zoodat men nu in vele landen mannen vindt met in dit opzicht vrouwelijke neigingen, maar dit verschil is nog niet genivelleerd en wordt nog overal duidelijk waargenomen, wanneer wij ons, ter opsporing ervan in beschaafde landen, wenden tot het kind, dat nog onberedeneerd zijne neigingen vertoont.

Leerrijk is in dit opzicht het boek, door drie Duitsche geleerden samengesteld, uit een reeks van gegevens, in 1915 bijeengegaard, uit opstellen, teekeningen, brieven, gedichten enz., van een zeer groot aantal scholieren, jongens en meisjes, van Duitsche scholen.

In dit boek, “Jugendliches Seelenleben und Krieg” wordt aangetoond, welken invloed de oorlog op het kinderlijk gemoed uitoefent, welke neigingen daardoor het sterkst naar buiten treden, hoe kinderen op dezen sterk emotioneerenden invloed reageeren. En nu is het opmerkelijk hoe in bijna alle gevallen het karakter van het werk, dat door het kind geleverd werd, zijn geslacht verraadt. De strijdlustige aard der jongens en de conserveerende, behoudende neigingen der meisjes, uitten zich in bijna elk stuk arbeid. Dooden, verminken, vernielen, verwoesten, waren de oorlogsidealen der jongens; verzorgen, verplegen, opkweeken, de berustende uitingen der meisjes.

Niet uit gebrek aan vaderlandsliefde, nog minder uit lafhartigheid, is de vrouw, sterker dan de man, gekant tegen den oorlog, – maar uit haar instinctieve eigenschappen welt bij haar het verzet tegen het ruw geweld, dat roekeloos vernietigt, wat door haar, als draagster van het ras, zoo moeizaam en pijnlijk werd voortgebracht. Haar levenstaak, haar werk, wordt door oorlog meedoogenloos vernietigd. Haar verhouding tot oorlog is dan ook een veel persoonlijker, dieper-ingrijpend, inniger dan die van den man.

Naast den opbouw van het ras heeft de vrouw ten allen tijde de verantwoordelijkheid gedragen voor de vorming van het gezinsleven en de verzorging der familie, – en het is juist deze drievoudige taak, die door den oorlog het meest bedreigd wordt.

De oorlog rukt het gezin uiteen, brengt geestelijke en stoffelijke ellende in het familieleven en verminkt en vernietigt het ras. Daarom zal elke vrouw, die hare levenstaak begrijpt, in den oorlog haar grootsten vijand zien. Wat wij vrouwen willen opbouwen, wil de oorlog vernietigen.

Mannen hebben, vanaf de vroegste tijden, den oorlog vereerd en verheerlijkt. Leest de geschiedenis door mannen geschreven. Veldslagen en zeeslagen, overwinningen door geweld te land en ter zee, schenen alleen waard aan de vergetelheid te worden ontrukt. In onze jeugd leerden wij alleen helden vereeren op oorlogsgebied.

En hoe kon het ook anders? De wereld, waarin tot nu toe de man de alléén-heerschappij voert, is in haar geheelen opzet op oorlog gebaseerd. Elk land houdt er een leger en vloot op na. Elke regeering verspilt elk jaar opnieuw een zeer groot deel van de opbrengsten van het land aan oorlogsuitgaven. In elk parlement wordt elk jaar opnieuw een lange periode van den nationalen tijd verbruikt om oorlogsmaatregelen te bespreken. En in elk land worden jaarlijks een groot aantal jonge, krachtige mannen aan landbouw, nijverheid, studie enz. onttrokken, (aan vreedzame en opbouwende werkzaamheden), om zich te bekwamen in de vakken, die vernietiging, vermoorden, verwoesten, ten doel hebben.

Is er een dwazer regeling van de maatschappelijke huishouding denkbaar? Waar dat op uitloopt, waar zulk een wereldorde op moest uitloopen, heeft deze zedelooze oorlog ons aanschouwelijk gemaakt. Deze oorlog is het resultaat van eene Staatkunde, die op “mannen-inzicht-alléén” is gebaseerd.

Het was eene vrouw, Bertha von Suttner, die het eerst de volken heeft toegeroepen “de Wapens Neder”, beslecht Uwe geschillen door de Rede, laat het Recht, niet de Macht zegevieren. En deze vrouw, die haar geheele leven wijdde aan de verbreiding van hare Vredesidealen, was er innig van overtuigd, dat deze idealen eerst in vervulling zullen komen, wanneer de vrouw, naast den man en met hem, de macht tot regeeren gegeven zal zijn. In haar strijd tegen den oorlog vergat zij den strijd voor de politieke ontvoogding der vrouw niet. Toen zij in September 1913, tijdens de Vredesconferenties in ons land, in eene vergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te Amsterdam, sprak, zeide zij o. m.:

“Gij, strijdsters voor vrouwenkiesrecht, gij zijt met Uwen strijd reeds zooveel verder gevorderd dan ik en mijne geestverwanten, maar ik benijd U daarom niet. Veeleer verheug ik mij daarover, omdat ik weet, dat de vervulling mijner wenschen zal moeten wachten, tot Gij de Uwe bereikt hebt”.

Er bestaat een veel nauwer verband dan velen beseffen, tusschen “het voeren van oorlogen” en “het houden der vrouwen in een onderworpen toestand”. Beide zijn een gevolg van oude begrippen omtrent Macht en Recht. Wie de Macht heeft een ander aan zich ondergeschikt te maken, zou daartoe ook het Recht hebben, dit is het begrip, dat ten grondslag ligt aan oorlog, doch ook aan het in ondergeschikten toestand houden der vrouw.

Waar de menschheid de intellectueele hoogte bereikt heeft om te kunnen inzien, dat mannen en vrouwen beide, en in gelijke mate, het recht hebben aan den opbouw der wereldorde mede te werken, en dat inzicht in toepassing brengen, daar toonen de mannen Recht boven Macht te kunnen stellen, daar zijn zij rijp om vruchtbaar mede te werken tot behoud van een duurzamen vrede. Waar dit hooger menschelijk standpunt door de mannen nog niet bereikt is, waar zij nog meenen aan hun Macht het Recht te mogen ontleenen, de vrouw aan den man ondergeschikt te houden, daar kan men ook aan hunne vredesuitingen geen waarde hechten.

Dat vrouwen tegenover oorlogen anders staan dan mannen, wordt opvallend aangetoond in de geschriften over dit onderwerp. Heel algemeen uitgedrukt zou men kunnen zeggen, de mannen beschouwen den oorlog voornamelijk uit een economisch oogpunt, bij de vrouwen treden hoofdzakelijk de rasbelangen op den voorgrond. De mannen berekenen de vóór- en nadeelen van den oorlog vooral naar de finantieele gevolgen. De materieele oorlogskosten, het verlies of de winst voor den nationalen handel de vóór- of achteruitgang der industrie, en dergelijke zaken komen het eerst in aanmerking. Leest men zoo nu en dan nog eens beschouwingen over oorlogen uit de laatste jaren, dan is het treffend, hoe goed men heeft uitgerekend hoeveel deze of gene oorlog heeft gekost aan geld, en hoe men heeft uitgerekend of de winsten wel hebben beantwoord aan de kosten.

Maar het menschenwee dat zij hebben veroorzaakt, het aantal levens dat er door verloren ging, hoevele mannen voor hun verder leven verminkt waren, hoevele met geschokte zenuwen en ondermijnde gezondheid verder moesten leven, vindt men niet vermeld. Ook wordt nergens melding gemaakt van de tallooze moeders, die gedurende en kort na den oorlog kinderen ter wereld brachten, die geen levensvatbaarheid bezaten, of zwaar erfelijk belast ter wereld kwamen, en nog tallooze andere schadeposten aan het ras toegebracht.

Want in den oorlog geldt niet de natuurwet, waarbij in den strijd om het bestaan de zwakken ondergaan; integendeel, de lichamelijk sterke, jonge, gezonde man wordt vernietigd en het geslacht moet jaren achtereen in hoofdzaak door de lichamelijk zwakken en geestelijk minderwaardigen worden voortgeplant.

Pages: 1 | 2 | 3 | Single Page