Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed
Proofreading Team at http://dp.rastko.net/

God zegene u, o schoon groen meer! In uw boezem zal ik voortaan wonen.

God zegene u, o schoon groen meer! In uw boezem zal ik voortaan wonen.

Heldensagen en legenden van de Serviërs

Zutphen—W. J. Thieme & Cie—1915

Inhoud.

Lijst van illustraties.

Voorbericht.

De Serviërs hechten de grootste waarde en het meeste gewicht aan de sympathieën van een zoo hoog beschaafd, groot en daardoor terecht zoo invloedrijk volk als de Britsche natie. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn er twee kritieke oogenblikken geweest—de annexatie van Bosnië en Herzogovina door Oostenrijk en de oorlog tegen de Turken—waarbij wij gelegenheid hebben gehad op te merken, van hoe groote praktische beteekenis de Britsche sympathieën, zelfs al zijn zij oogenschijnlijk niet meer dan platonisch, voor ons volk kunnen zijn. Het is zeer natuurlijk, dat wij den wensch koesteren deze sympathieën te behouden en zoo mogelijk nog te vergrooten. Wij zijn trotsch op de overwinningen, die ons leger op de dappere Turken behaalde, doch wij vleien ons, dat ons volk behalve om zijn militaire eigenschappen ook om de andere trekken van zijn nationaal karakter zich sympathie en eerbied zal weten te verwerven.

Wij wenschen onzen vrienden ons volk te doen kennen, zooals het is. Wij wenschen hen een blik te laten slaan in onze nationale psyche. En niets kan een beteren kijk geven in de ziel van het Servische volk dan dit uitnemende boek van Woislav M. Petrovitch.

De Serviërs behooren ethnologisch tot de groote familie der Slavische volken. Zij zijn neven in den eersten graad van de Russen, Polen, Czechen, Slowakken en Bulgaren en zij zijn de broeders der Croaten en Slowenen. Sedert de kerk niet langer de volkeren gescheiden houdt en om der wille van het geloof geen tweedracht in het leven der volkeren kan worden gezaaid, zijn de orthodoxe Serviërs en de Roomsch Katholieke Croaten feitelijk één en hetzelfde volk.

Van al de Slavische naties mogen de Serviërs zich er op laten voorstaan de meest poëtische te zijn. Hun taal is de rijkste en de meest muzikale onder alle Slavische talen. De overleden professor Morfill, die in zekeren zin een Panslavist was, heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd: “Ik zou wenschen, dat gij, Serviërs, zoowel als alle andere Slavische volken, met Rusland een politiek verbond vormdet, maar ik zou niet willen, dat gij uw schoone en goedontwikkelde taal prijsgaaft om die te verwisselen voor de Russische!”

Eens ging hij zelfs zoo ver als zijn meening te kennen te geven, dat de toekomstige Vereenigde Staten van de Slaven als voertuig voor hun letterkunde en als officieele taal de Servische zouden aannemen, wijl die verreweg de edelste en meest muzikale is van alle Slavische dialecten.

Toen onze voorouders het westelijk deel van het Balkanschiereiland bezetten, vonden zij daar een groot aantal Latijnsche kolonies en Grieksche steden en nederzettingen. In den loop van twaalf eeuwen hebben wij door wederzijdsche huwelijken veel Grieksch en Latijnsch bloed opgenomen. Dientengevolge en onder den invloed van het handels- en politiek verkeer met Italië werd onze taal verzacht en onze manieren, en de in ons Slavische volk sluimerende liefde voor wat schoon, dichterlijk en edel is versterkt. Wij vormen een bijzonder Slavische type, gewijzigd door Latijnsche en Grieksche invloeden. De Bulgaren zijn een Slavisch volk van een geheel ander type, ontstaan door de circulatie van Tartaarsch bloed in Slavische aderen. Dit eenvoudige feit verklaart de tegenstelling tusschen de Serviërs en Bulgaren en hun onderlinge twisten gedurende de Middeleeuwen en zelfs in onzen tijd.

Wat zijn nu de nationale liederen der Serviërs? Het zijn geen liederen, gemaakt door beschaafde of litterair geschoolde dichters, maar door eenvoudige menschen en die, eenmaal populair geworden, door eenvoudige menschen worden gezongen.

Tot in het midden van de negende eeuw leefden de Serviërs voor het meerendeel in agrarische- en familiegenootschappen, Zadrooga genaamd. Naar M. Petrovitch heeft medegedeeld, verlieten de zoons van een boer het huis huns vaders niet, als zij trouwden, maar zij bouwden een houten hut op het land, dat het huis van hun vader omringde. Heel dikwijls ontstond er een groote nederzetting rondom het oorspronkelijke huis, van vaak meer dan honderd personen, mannen en vrouwen, die te zamen werkten op het land en de huizen als hun gemeenschappelijk eigendom beschouwden, evenals de vruchten van hun arbeid. Al de leden van de Zadrooga erkenden het oudste lid van zulk een familiegenootschap als hun hoofd en het was de gewoonte, dat allen zich ’s avonds in het stamhuis rondom hem verzamelden. Nadat de zaken, die het boerenbedrijf of andere aangelegenheden betroffen, waren afgedaan, werd de familiekring verder bezig gehouden, doordat het hoofd of een ander mannelijk lid van de familie een heldendicht voordroeg of een der liederen zong, waarin de een of andere historische gebeurtenis verhaald werd of waarvan de tekst gewijd was aan een gebeurtenis, die eerst kort geleden had plaats gehad.

Bij de openbare samenkomsten, bij kerken en kloosters verzamelden zich eveneens groepen mannen en vrouwen rondom de voordragers, die in liederen de oude koningen en helden of een bijzonder treffende of belangrijke gebeurtenis bezongen.

In Hongaarsch Servië (Syrmia, Banaat, Baschka) maken oude blinde mannen er een winstgevend bedrijf van oude of nieuwe liederen te zingen, die voor het meerendeel op oude helden of historische gebeurtenissen, doch ook wel op de geschiedenis van den dag betrekking hebben. Maar in andere deelen van Servië (Shumadiya, Bosnië, Herzogovina, Montenegro, Dalmatië) dragen welgestelde boeren zeer dikwijls de heldenliederen voor, omringd door een menigte toehoorders en toehoorderessen. Het is een zonderling feit, reeds door Vouk S. Karadgitch opgemerkt, dat de voordragers van heldenliederen zeer zelden jong zijn, maar meestal mannen van middelbaren leeftijd en nog vaker oude mannen. Het is, alsof de oude mannen het als hun plicht beschouwen het jonge geslacht bekend te maken met de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk en zijn voornaamste helden. Men kan nog menig ongeletterde in Servië vinden, maar gij zult niemand vinden, die niet in staat is u wat te vertellen over Stephan Nemanya, den eersten koning van het Servië uit de Middeleeuwen, over zijn zoon, St. Sava, tsaar Doushan, zijn jongen zoon Ourosh, koning Voukashin, den koninklijken prins Kralyevitch Marko, tsaar Lazarus en de helden, die vielen in den vermaarden slag van Kossovo (1389).

Zonder overdrijving kan dus gezegd worden, dat de Servische boeren hun eigen vaderlandsche geschiedenis schreven door haar van het eene geslacht op het andere over te vertellen en te bewaren in hun rhythmische, tienlettergrepige, rijmlooze verzen. De gooslari1 en de monniken bewaarden het nationaal politieke bewustzijn en de nationale kerk voor ondergang gedurende de vijf eeuwen, waarin zij slechts Turksche Rayah waren, eenvoudige lieden, gedoemd om niets beters te zijn dan slaven van hun meester, den Turk. Wij zouden tegenwoordig niets weten van den aanhoudenden guerillaoorlog, dien de beste en moedigste mannen van het volk met groote hardnekkigheid tegen den onderdrukker van het volk voerden van het begin der zestiende eeuw, tot de eerste opkomst van de Shumadia onder Karageorge in 1804, indien wij de zoogenaamde Haïdoochke Pesme (Zangen op Haïdooks2) niet bezaten. Lang voor de geschiedenis van het ontstaan van den Servischen Nationalen Staat werd geschreven door Stoyan Novakovich, den geleerden president van de Servische Academie, werd zij in verzen van groote schoonheid en uitdrukking bezongen door den bard Vishnyich. En de overwinningen van het Servische leger op de Turken en Bulgaren in den oorlog 1912–13 worden nu reeds bezongen door de barden in de herbergen en op de jaarmarkten in de dorpen, waar het volk in grooten getale bijeenkomt en bij de groote kerkelijke feesten op het plein rondom de kerk. Natuurlijk leert een Serviër, die bij honderd gelegenheden nationale liederen heeft hooren voordragen, ze zelf voordragen, al is hij misschien niet in staat zijn voordracht te begeleiden op de goussle.3 Evenmin valt het hem moeilijk door menigen stereotypen regel van oude welbekende zangen te bezigen, in verzen de geschieden te verhalen van onzen tijd. Toen ik in 1873 als minister van financiën bij de begrootingsdebatten in de Skoupshtina een nederlaag leed, werd hiervan dienzelfden avond en den volgenden dag in rijmlooze verzen kond gedaan aan het volk.

Naast de zangen, die meer of minder getrouw historische gebeurtenissen herdenken, zijn er een menigte nationale liederen, die hun stof aan een der talrijke legenden ontleenen. Zij zijn zonder twijfel in het leven geroepen onder den invloed van de priesters en monniken en waren oorspronkelijk alleen bestemd voor de menigte, die op de kerkelijke feesten samenstroomde. Het verheugt mij te zien, dat M. Petrovitch in zijn verzameling heeft opgenomen het lied, dat waarschijnlijk het oudste onder alle Servische zangen is. Het heet “De Heiligen verdeelen de Schatten” en het bewaart de herinnering aan een blijkbaar zeer oude overlevering, die op haar beurt weer de heugenis bewaart aan een groote ramp, die het stamvolk in Indië trof en vermoedelijk de oorzaak was, dat de voorouders van de Slaven Indië moesten verlaten. Het is zeer merkwaardig een echo van een groote ramp, die eenmaal Indië teisterde, in de nationale zangen van de Serviërs te hooren naklinken.

Dat de Serviërs nationale liederen hadden, waarin zij de Servische daden van hun nationale helden bezongen, daarvan werd reeds in de veertiende eeuw melding gemaakt. Nicephoras Gregoras, die door den Byzantijnschen keizer naar Servië werd gezonden met een diplomatieke zending, vertelt de Serviërs hun nationale liederen te hebben hooren zingen.

In officieele bescheiden, die bewaard bleven van de vele diplomatieke missies, die zich in de zestiende eeuw tusschen Weenen of Buda en Konstantinopel bewogen, en wier weg over Servië leidden, wordt eveneens melding gemaakt van de heldenzangen, waarin de Serviërs hun groote voorouders herdachten.

In die eeuw heeft de eerste poging plaats om eenige van deze nationale liederen door de drukpers te vermenigvuldigen, een poging, die onder anderen door den dichter Hectorovich uit Ragusa werd ondernomen. In de achttiende eeuw werden meer geslaagde pogingen gedaan door den Franciscaner monnik Kachich-Mioshich en door den abt Fortis. Maar het is aan den geleerden grondlegger van de moderne Servische literatuur, Vouk Stephanovitch Karadgitch, dat in dezen de grootste eer toekomt, zooals door M. Petrovitch in zijn Inleiding en elders is aangetoond.

M. Petrovitch moet hebben ondervonden, wat de Franschen noemen “embarras de richesses.” Het was niet zoo gemakkelijk de zangen voor een vertaling uit te kiezen. Maar hij heeft ons eenige van de schoonste Servische heldendichten gegeven als model van wat de Servische nationale dichtkunst voortbracht. Het doet mij alleen leed, dat hij daarbij niet een paar voorbeelden heeft opgenomen, van wat de Servische vrouwen en meisjes uit de dorpen aan lyrische poëzie voortbrengen. Misschien zal hij bij een andere gelegenheid amende honorable maken aan onze vrouwelijke landgenooten.

Ik wensch nog enkele woorden toe te voegen aan hetgeen M. Petrovitch heeft gezegd omtrent onzen grootsten nationalen held, den koninklijken Prins (Kralyevitch) Marko. Zooals hij heeft aangetoond is Marko een historische figuur. Maar wat de geschiedenis omtrent hem heeft te zeggen is niet veel, en in elk geval niet in staat om te verklaren, hoe hij de lievelingsheld werd van het Servische volk. Hij was een eerlijk en trouw vazal van den sultan, wat het bijna onaannemelijk maakt, dat hij den eerbied en de bewondering der Serviërs heeft opgewekt. Toch hebben de Serviërs gedurende de laatste vijf eeuwen hun koninklijken Prins Marko geëerd, bewonderd en liefgehad en in de toekomst zullen zij evenzeer als in het verleden trotsch op hem zijn. Dit psychologisch raadsel heeft de beste Servische en enkele andere historische onderzoekers en schrijvers geprikkeld tot een nauwgezet onderzoek. Het is duidelijk, dat de meeste liederen op Marko hun dichters moeten zijn ingegeven onder den machtigen invloed, die zijn persoonlijkheid op zijn landgenooten en zijn tijd uitoefende. Dr. Yagich, Dr. Maretich, professor Stoykovich en St. Novakovich zijn allen van meening, dat zijn athletische kracht en zijn imposant voorkomen als voornaamste oorzaak moeten worden aangemerkt van den indruk, dien hij achterliet. Allen stemmen hierin overeen, dat zijn gedrag, zoowel in het dagelijksch leven als bij buitengewone gelegenheden, dat was van een waar ridder, een cavaliere servente, een chevalier sans peur et sans reproche.

Zelfs zijn zucht om den sultan als een trouw vazal te dienen werd in zijn voordeel uitgelegd als bewijs van de onkreukbare oprechtheid van zijn karakter. Waarschijnlijk werd die oprechtheid ook door den sultan gewaardeerd en werd Marko hierdoor in staat gesteld niet zelden een beroep op den sultan te doen ten gunste van zijn volk, bijvoorbeeld als enkele gevangenen en slaven bevrijd en gered moesten worden. Zeer zeker was hij de beschermer van arme en lijdende mannen en vrouwen en stond hij hen bij, wat het ook kostte, niet zelden met gevaar voor zijn eigen leven. Hij moet inderdaad bewijzen van toewijding hebben gegeven voor de zaak van het recht; dat is het, wat hem bemind maakte, niet alleen onder zijn tijdgenooten, maar ook bij hun nakomelingen.—Hij moet gedurende zijn leven bekend zijn geweest om zijn vreeze Gods en den eerbied en de liefde, die hij zijn moeder toedroeg. De Serviërs teekenden hem naar het model, door zijn eigen persoonlijkheid en zijn daden aan het volk geboden. Een van de schoonste trekken van zijn ridderlijk karakter, gelijk dat beschreven wordt door de nationale barden, is zijn liefde voor en deernis met lijdende dieren. Het doet mij leed, dat mijn vriend Petrovitch geen voorbeeld gaf van de liederen, die dien trek van onzen nationalen held verheerlijken, als bijvoorbeeld het lied: Marko en de Havik (Vouk ii 53) of Marko en de Arend” (Vouk ii 54). In beide wordt verhaald, hoe deze vogels, toen Marko ziek lag op het open veld, gekweld door een hevigen dorst, terwijl de gloeiende zonnestralen zijn gelaat verbrandden, uit dankbaarheid voor de vriendelijkheid, die hij hun eens betoonde, hem water brachten in hun snavels en hun vleugels uitspreidden, om zijn gelaat te beschutten tegen de zon.

Verreweg de beste studie over den Servischen nationalen held is geschreven door den Russischen professor Halanski, die het raadsel oploste door te wijzen op de natuurlijke sympathie van een volk voor den “tragischen held.” De historische Marko was zeer zeker een “tragisch held”. Niets bewijst dat beter dan zijn laatste woorden, voor den aanvang van den slag van Rovina (1399), door M. Petrovitch in zijn werk aangehaald.

Pages: 1 | 2 | Single Page