Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus’ omwandeling op aarde

Produced by Anne Dreze and Marc D’Hooghe.

BEN-HUR

EEN VERHAAL UIT DEN TIJD VAN JEZUS’ OMWANDELING OP AARDE

UIT HET ENGELSCH

VAN

LEWIS WALLACE

door

ALMA

(A.M.TH. DOEDES)


VOORBERICHT.

Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid zulk een meesterstuk waardig.

Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit den tijd van Jezus’ omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is, als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.

Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk, waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet opdoemen.

Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de inhoud der evangeliën niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van “de Wijzen uit het Oosten” meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar, Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus’ heerschappij uit Europa, Azië en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de Schrift, zij het ook slechts één van de drie, den vromen Balthasar uit Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd, en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.

Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping, die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.

In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen drang van wraakzucht en haat. Alleen één (en dit denkbeeldig) type, de vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.

Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: “ik heb de wereld overwonnen.”

Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden. Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij ons niet minder van nabij te raken: “tenzij iemand van nieuws geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.” De moordenaar op het kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.

Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: “Mij is gegeven alle macht in den hemel en op aarde, onderwijst alle volken, ik ben met u al de dagen tot de voleinding der eeuwen.”

C.S.A. v. S.


BEN-HUR

BOEK I.


EERSTE HOOFDSTUK.

IN DE WOESTIJN.

De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabië. Een dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders een deel van de woestijn zouden uitmaken.

De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van tallooze wadi’s[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in het regenseizoen de watermassa’s naar de Jordaan afvoeren, of wel naar haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.

Uit een van deze wadi’s, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de aandacht vestigen.

Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn. Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent, een witten kameel.

Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouïnen, zal de westerling, waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.

De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den afstammeling van een oud Syrisch geslacht.

Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Vóór hem lag de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door één blik op die dorre woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane weg op.

Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid werden.

Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken, de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht vonkelde en trilde in dien gloed.

Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen, en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.

Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.

Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.

[1] Doorwaadbare plekken.


TWEEDE HOOFDSTUK.

DE DRIE REIZIGERS.

Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet groot, is hij toch een flinke figuur.

Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden, losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in ‘t gezicht zien. De kleur was, zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo Mizraïm, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed, met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen. Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus òf van zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, òf zich onder bijzondere bescherming gevoelen.

Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde, was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet het minste teeken van leven.

—Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij moeten geduld oefenen.

Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.

Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken, gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte, zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij verwachtte.

Pages: First | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | ... | Next → | Last | Single Page