Grashalmen

Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team.

“……………dit is geen boek,
Die ‘t aanraakt, raakt een mensch aan.”
(W. W. “Tot ziens!”)

WALT WHITMAN

GRASHALMEN

(LEAVES OF GRASS)

VERTAALD DOOR MAURITS WAGENVOORT

MET PORTRET VAN DEN DICHTER

1917


WERELDBIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM

GEDRUKT TER DRUKKERIJ “DE DEGEL”, AMSTERDAM.


Walt Whitman

INLEIDING

Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste herinnering de Leaves of Grass van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis ging er geen dag om zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna nam ik dagelijks het boek op om te herlezen. Diep was de indruk geweest, dien ik van den arbeid en het leven der Noord-Amerikanen had ontvangen, diep was de indruk, dien ik van de Leaves of Grass ontving. Deze poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met bewondering en eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind beeld der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en denken van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de “athletiscihe republiek”: zij openen heerlijke visioenen van wording, ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend recht: het Universum aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een plaats zal aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.

Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling van wat thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele Leaves of Grass, wel de geheele Whitman, zooals hij zich in de Leaves openbaart. De dichter herhaalt hier en daar wat hij gezegd heeft: er was geen reden die herhalingen te vertalen; buitendien liet ik mij door mijn smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de Leaves of Grass, die mij niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan Whitman ligt. Zoo ook zijn eenig berijmd gedichtje Captain, my captain, dat ik onvertaald liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als dichter toch het heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het denkbeeld mij een gruwel een salon-Whitman te geven. In mijn vertaling spreekt de bard zich uit met dezelfde zware en toch zoo zielvolle stem, die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd verheven, altijd menschelijk, altijd natuurlijk.

Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in Europa, behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt Whitman arm en ongeacht gestorven, nadat hij, om de “onzedelijkheid” van de Leaves of Grass, uit een betrekkinkje aan een ministerie te Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte, een kleine twintig jaar geleden, was het bezwaar om Grashalmen gedrukt te krijgen. Indien ik Whitman fatsoenlijk had willen maken—wat men een bloemlezing noemt, uit zijn Leaves of Grass—zou ik niet bijna vijf jaren hebben behoeven te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt Whitmans werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den eerbied dien ik voor den bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt nu, wel is waar niet in haar geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.

Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware geweest van mijn literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne boeken vinden weinig lezers: het verlies daarvan is niet geheel aan mijn kant. Het verwonderde noch ontmoedigde mij, dat ik jaren had te wachten eer men mijn Grashalmen wilde publiceeren. De anderhalf jaar met Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door eenig succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd worden.

Over Walt Whitman en zijne Leaves of Grass wil ik hier weinig zeggen. Mijn vertaling geeft de maat aan van de bewondering en de liefde die ik voor deze heerlijke twee-eenheid gevoel. Misschien toch kunnen een paar verklarende woorden hem een of twee lovers meer winnen. Men moet de Leaves of Grass niet nemen als gedichten, Walt Whitman niet als dichter. Om een paar dichters van onderscheiden genie te noemen: Keats, Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman geen dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn zangen zijn als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer men hem leest.

De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven hoog en groot geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk. Hij verkondigde wat recht was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij sprak was de natuurlijke wijsheid van een God-gewijde ziel, door innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens gelouterd. Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij wat harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar zwakheid en lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed, die, geboren uit een onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om alleen en hoog te staan te midden der menschen. Het leven had enkel bekoring en de dood geen verschrikking voor hem. Dus had zijn volk hem erkend als richter van allen, leider van allen, priester en zanger tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een samenleving, de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer geestelijke vorming staat, de oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar verworpen door zijn volk, omdat de menschen van heden niet natuurlijk kunnen zijn.

Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne poëmen, zijne zangen zijn geen gedichten; het zijn visioenen; uitspraken, wetten, poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals het gevonden wordt in de Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda’s, in de Psalmen, in het Hooglied.

Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en gedachten zwevend tusschen banaliteit, weemoed en burgermans verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf terecht gewezen: de Leaves of Grass zijn niet voor hem of haar. Wien het gegeven is vrij te zijn van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij in ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en het lezen steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent Whitman grootsche verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid van lichaam en ziel, dien schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.

Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij ook het tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans vlucht door Tijd en Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem slechts heb kunnen volgen door lager te Wijven dan hij; op andere punten is de vertaling, onder het werk-zelf, en, natuurlijk zonder dat die bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke. Ik gewoel temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles verbeteren wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te noemen, maar wanneer ik, zooals ik hiermeê doe, Grashalmen aan haar opdraag, geef ik haar slechts terug wat zij mij geleend heeft, wetende, dat ik voor mijn leven haar schuldenaar blijf, ook waar mij slechts van haar de nagedachtenis rest.

Sevilla, Oct. ’98. M. W.

‘s-Hage’17.


UIT: INSCRIPTIES

MIJN LIED IS VOOR HET IK

Mijn lied is voor het ik, is voor den mensch des eigen levens,
Maar van mijn lippen klinkt het woord Democratie, het woord
En-Masse.

Mijn lied geldt fysiologie van hoofd tot voeten,
Mijn muze is niet enkel gezicht, niet enkel ziel, ze is beiden
en dus meer dan ieder waard:
Mijn lied geldt dan het vrouwelijke volkomen even met het
manlijke.

O Leven onbedwingbaar in uw passie, polsslag, kunnen;
Kracht en Vreugde zijn uw namen, geroepen, gij, tot het vrije
doen door goddelijke wetten.
Mijn lied geldt den modernen mensch.

TOEN IK HET BOEK GELEZEN HAD

Toen ik het boek gelezen had, de veel geroemde levensschets,
Vroeg ik mij af: is dit dan wat de schrijver noemt een menschenleven?
En zoo zal iemand, ben ik dood en heen, beschrijven wat hij
noemt mijn leven?
Alsof iemand in waarheid iets weet van mijn leven,
Terwijl ik zelf vaak denk weinig of niets te weten van wat in
waarheid is mijn leven.
Een paar wenken, een paar sleutelwoorden en aanduidingen
Tracht ik in dit boek ten eigen nut te schrijven.

Pages: First | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | ... | Next → | Last | Single Page